| Informatie paard |
|
Inleiding Behandeling ja of nee? Hoelang, diepte, locatie, grootte en soort wond Eerste opvang wond: STABILISATIE Wat doet de dierenarts
Blijf altijd kalm en bel ons bij twijfel! Vaccineren heeft tot doel de weerstand van het paard op kunstmatige manier te verhogen door middel van het toedienen van een lichaamsvreemde stof. Op deze manier zal een natuurlijke infectie worden voorkomen of zullen de ziekteverschijnselen in ieder geval sterk verminderd zijn. Ook kan passief het veulen via de melk beschermd worden tegen bepaalde infecties. Wanneer een drachtige merrie geënt wordt, gaat ze antistoffen produceren. Deze antistoffen worden in de melk uitgescheiden en worden via de darm in de bloedbaan van het veulen opgenomen. Bij het paard komen, evenals bij elke andere diersoort, veel virussen en bacteriën voor, die een infectie kunnen veroorzaken. In het kader van de verkrijgbare entingen zijn een drietal ziekten belangrijk, te weten influenza, rhinopneumonie (EHV) en tetanus. Influenza Het influenzavirus behoort tot de groep van de Orthomyxo virussen. Het virus veroorzaakt een infectie van de voorste luchtwegen, met eventueel hoge koorts, niet eten, algemeen ziek zijn en hoesten. De koorts kan verschijnen in een twee tal koortspieken. Als gevolg van de slijmvliesbeschadigingen door het virus, kunnen bacteriën, die normalerwijze op de slijmvliezen voorkomen, zorgen voor een secundaire infectie. Veulens, die van de merrie onvoldoende antistoffen via de biest hebben binnen gekregen kunnen aan een influenza infectie sterven. Volwassen paarden sterven zelden aan een influenza infectie. Er bestaan van dit virus meerdere stammen. Elke stam kan een virusinfectie veroorzaken, waarbij sommige virussen onderling een sterke verwantschap hebben. Een praktisch gevolg hiervan is, dat een bepaalde stam uit een entstof uiteindelijk een zodanige weerstand veroorzaakt, dat het dier tegen twee stammen beschermd is. Dit noemt men kruisimmuniteit. In verband met een goede weerstand bij het geënte dier is het zinvol om het paard twee keer per jaar te vaccineren tegen influenza.Voor wedstrijden geldt tot nu toe een jaarlijkse hervaccinatie (binnen 365 dagen herhaald) na een correcte basisenting. De basisenting bestaat uit een dubbele enting met een tussen tijd van vier tot zes weken. Voor het veulen geldt dat de eerste enting op een leeftijd van drie tot vijf maanden toegediend moet worden. Dit is mede afhankelijk van het tijdstip waarop de merrie gevaccineerd is. Tetanus Tetanus wordt veroorzaakt door de bacterie Clostridium tetanie. Een infectie kan ontstaan na een diepe steekwond of na een wondinfectie met veel weefselversterf. Paarden zijn erg gevoelig voor deze bacterie en kunnen er bij onvoldoende behandeling aan sterven. De bacterie is een bodembewoner, die altijd en overal om ons heen voorkomt. In een diepe wond gaat de bacterie zich vermeerderen, en een gifstof (toxine) produceren waardoor in de spieren over het gehele lichaam kramp ontstaat. De tijd tussen het moment van besmetting en eerste verschijnselen van de ziekte bedraagt meestal 7-10 dagen. De ziekte begint vaak met een stijfheid van de kauwspieren (een andere naam voor tetanus is klem of kaakklem). Deze stijfheid breidt zich uit over de spieren van hoofd, hals en benen. Hierna ontstaat het stadium van de kramptoestand, waarbij dieren eventueel kunnen gaan omvallen. Als de kramp zich uitstrekt over de tussenribspieren, zal het paard als gevolg van verstikking sterven. Een preventieve enting is hier dus van levensbelang. Vaak wordt de enting tegen influenza gecombineerd met tetanusvaccinatie, waardoor bij een frequent geënt paard een goede bescherming gewaarborgd is. Rhinopneumonie Rhinopneumonie bij het paard wordt veroorzaakt door een Herpes virus en kent een drietal verschijningsvormen. De ademhalingsvorm Dezevorm toont zich net als de influenza als een virus- infectie van de voorste luchtwegen, met koorts en algemeen ziek zijn en eventueel dikke benen. De koorts kan zich met twee pieken presenteren. Als complicatie kan een longontsteking ontstaan. Besmetting ontstaat vooral in het directe neus contact met andere paarden. De abortusvorm Drachtige merries, die geïnfecteerd worden met het EHV, kunnen aborteren. Belangrijke preventieve maatregelen zijn: - weinig/geen contact met andere paarden. - enten van de drachtige merrie op de 3e, 5e, 7e en 9e maand van de drachtigheid. De neurologisch(verlammings) vorm Deze zou vooral ontstaan als virusdeeltjes zich binden aan door het paard geproduceerde antistoffen. Aan de combinatie virusdeeltje-antistof kan zich nog een derde stof binden, waardoor een groter deeltje ontstaat, welk vast kan lopen in bloedvaten, die naar zenuwvezels lopen. Door een tekort aan bloed sterven de zenuwvezels af en ontstaat de gevreesde verlamming van de spieren van de achterhand. Een typische eigenschap van het Rhinovirus is, dat het dieren kan infecteren, zonder dat deze dieren ziekteverschijnselen tonen. Een andere typische eigenschap van het virus is, dat het zich in het lichaam verborgen kan houden om bij voor het paard stressvolle omstandigheden alsnog de kop op te steken. Preventie is mogelijk door middel van een vaccinatie die echter minimaal twee keer per jaar moet worden gegeven. Belangrijk is ook, dat de enting als groepsenting wordt gegeven. Het enten van 1 paard in een groep paarden die niet geënt worden tegen de “rhino” blijkt niet zinvol. Paarden van elke leeftijd, elk ras en gebruikstype herbergen permanent parasieten in het lichaam. Veel wormen hebben het maagdarmkanaal als voorkeursplaats en indien paarden niet regelmatig ontwormd worden kunnen deze parasieten een bedreiging worden voor de prestaties en de gezondheid van het dier.
Ziekteverschijnselen Slechte conditie en ruige vacht met (te) lang haar en een trage verharing Infectieroute ![]() Cyclus van een worm: 1. ei (groen) 2. larve (blauw) 3. Worm (rood)
Soorten parasieten Parasieten van het veulen Zitten de wormen altijd in de mest? Lokalisatie Besmettingsgraad Bestrijdingsprogramma’s Inleiding Koliek zijn eigenlijk pijnuitingen van een paard met meestal als oorzaak buikpijn. De verschijnselen zijn afhankelijk van ras, karakter en leeftijd als volgt: Krabben met voorbeen
Oorzaken Er zijn zeer veel oorzaken van koliek. Hieronder staan er een aantal genoemd: Zelfdoen Geen eten en drinken meer geven (muilkorf
Zeer heftige koliek
Probeer op de volgende vragen een antwoord te hebben voor dat de dierenarts komt, hij/zij zal er zeker naar vragen. Hoelang duurt de koliek Hierna zal de dierenarts het paard algemeen onderzoeken. Hij let daarbij op de volgende zaken. Pols: zegt iets over de ernst
Inleiding Paarden hebben net als mensen een melkgebit en een blijvend gebit. Het melkgebit bestaat in elke kaakhelft uit drie snijtanden en drie kiezen; dus in de bovenkaak in totaal snijtanden en zes kiezen en inde onderkaak zes snijtanden en zes kiezen. De melksnijtanden breken door – vanaf het midden naar de zijkant rond 0-8 dagen , 6-8 weken respectievelijk 6-8 maanden. De melkkiezen (premolaren) zijn bij de geboorte meestal al doorgebroken en ook al in slijting (ze sluiten op elkaar aan en kunnen afslijten). Wisselen Het wisselen van de tanden begint op 2.5 jarige leeftijd. De snijtanden wisselen – weer van af het midden naar de zijkant – op 2,5, 3,5 en 4,5 jaar. De keizen wisselen - van voor naar achteren – op 2,5, 3 en 3,5 jaar. De tanden en kiezen beginnen dus tegelijk met wisselen, maar bij de kiezen is het wisselproces sneller voltooid. Naast bovengenoemde tanden en kiezen heeft het paard een aantal gebitselementen, die niet door melktanden vooraf worden gegaan. Het betreft de achterste drie keizen in iedere kaakhelft (molaren). Deze breken door op 1-, 2-, en 3-jarige leeftijd en komen in slijting op 2, 3 en 4 jaar. End dan zijn er nog de hengsten-, haak- ofwel ruinentanden. Deze breken door tussen 4 en 5 jaar en bevinden zich vrij kort achter de buitenste snijtanden, in elke kaakhelft één. Niet alleen mannelijk e dieren hebben hengstentanden , ook bij een deel van de merries komen ze tot ontwikkeling, maar ze zijn dan in het algemeen veel kleiner. P ongeveer 5-jarige leeftijd hebben de meeste paarden een volledig gebit met permanente elementen. Een volwassen mannelijk paard heeft dus 40 permanente elementen. Een volwassen merrie heeft 36 tot 40 permanente elementen, omdat merries wel of geen haaktanden kunnen hebben. Wolfskiezen zijn kleine kiesjes voor de eerste kies, meestal in de bovenkaak, maar in de onderkaak kunnen ze ook voorkomen. Ze hebben geen functie en zijn niet bij alle paarden aanwezig. Om te voorkomen dat deze wolfskiezen problemen geven met het bit, is het verstandig om ze te verwijderen (bij fokmerries dien niet worden gereden, is dit dus in het algemeen niet nodig). Dit moet wel vakkundig gebeuren, wolfskiesjes zijn namelijk klein en breken gemakkelijk. Ook restanten van de wordtel kunnen problemen geven. Het afknippen van wolfskiesjes is dus zeer onverstandig. Er kan ook sprake zijn van ‘blinde’ wolfskiezen, waarbij het kiesje niet is doorgebroken, maar meestal duidelijk voelbaar is (een bultje onder het tandvlees). Deze kunnen zeker ook problemen veroorzaken, juist omdat in dit geval het bedekkende tandvlees bekneld kan raken tussen kies en bit en zo pijnreactie kan geven. Kauwen Paarden en paardachtigen hebben een zogenaamd hypsodont gebit. Dat wil zeggen, dat de snijtanden en keizen – nadat deze hun maximale lengt hebben bereikt, namelijk wanneer het paard ongeveer 6 jaar oud is – langzamerhand uit de tandkas groeien. Tegelijkertijd slijten de tanden aan het kauwoppervlak af als gevolg van het vermalen van voedsel. Op jonge leeftijd gaat dit proces met een snelheid van ongeveer 2 tot 4 mm. Per jaar. Op ouder leeftijd, boven circa 22 jaar , verloopt dit proces steeds langzamer. Op een gegeven moment is er nog maar zo weinig houvast in de kaak, dat de kiezen en/of tanden los gaan zitten, uitvallen of verwijderd moeten worden. ![]() Een tand of kies bestaat uit een wortel en een kroon. In de mondholte zien we de zogenaamde klinische kroon; dit is het gedeelte van de tand of kies dat boven het tandvlees uitsteekt. De reserve kroon – het deel van de kroon dat zich onder het tandvlees in de kaak bevindt tussen de wortel(s) en de klinische kroon – is dus niet zichtbaar. Wanneer uitgroei en afslijting in evenwicht zijn, blijft de hoogt van de klinische kroon in de loop van de tijd ongeveer hetzelfde. Bij een jong volwassen paardengebit zijn de kaaktakken van de onderkaak bijna geheel gevuld met kieswortels en reservekronen en hebben aan de onderzijde een afgeronde vorm. Door de uitgroei van de kiezen verdwijnt deze ‘vulling’ langzamerhand en bij een paard op leeftijd worden de onderkaaktakken op doorsnee steeds meer V-vormig. De bovenkaak is breder dan de onderkaak, en ook de bovenkaakkiezen zijn breder dan de onderkaakkiezen, zodat in rust de bovenkiezen aan de wangkant buiten de onderkiezen uitsteken en de onderkiezen aan de tongzijde buiten de bovenkiezen. Tijdens het kauwproces beweegt de onderkaak zich in een cirkelvormige beweging naar beneden, opzij, naar boven en weer terug. Door normale kauwbeweging wordt toch het gehele kauwoppervlak afgesleten. Naast de zijwaartse beweging, is er ook een voor-achterwaartse beweging van de onderkaak (die moet kunnen plaatsvinden bij gesloten mond): de onderkaak beweegt ten opzichte van de bovenkaak naar voren als het paard het hoofd naar beneden beweegt of de hals buit en naar achteren, als het paard het hoofd omhoog brengt of de hals strekt, Door deze bewegingen blijft de druk in het kaakgewricht binnen normale grenzen. Tenslotte moet de hoek, die het kauwoppervlak met de horizontaslijn maakt, binnen normale marges blijven. Voor het kauwoppervlak van de kiezen geldt een hoek van ongeveer 15°, waarbij het kauwoppervlak van de onderkiezen naar de tongzijde oploopt en het kauwoppervlak van de bovenkiezen naar de wangzijde afloopt. Voor het snijvlak van de snijtanden geldt een hoek van circa 10° tot 12° met de onderkaaklijn. In de praktijk kun je aanhouden, dat het snijoppervlak van opzij bekeken, ongeveer evenwijdig moet lopen met de neusrug. Afwijkingen Juist door het feit dat er in het paardengebit een evenwicht moet zijn tussen uitgroei en afslijting van gebitselementen, ontstaan er gemakkelijk problemen. Als bepaalde delen van het kauwoppervlak niet of te weinig afslijten , groeien deze uit tot haken, scherpe randen of verhogingen ten opzichte van de kauwvlakte en kunnen daardoor de normale zijwaartse en voor-achterwaartse beweging van de onderkaak belemmeren. Onmiskenbare signalen Paarden met tandproblemen kunnen door pijn en irritatie onmiskenbare signalen afgeven dat er iets mis is in de mond. Verschijnselen die hier op kunnen duiden zijn: • morsen met eten, proppen kauwen, moeite met eten, veel speekselen • gewichtverlies • slecht verteerde mest • hoofdschudden, kantelen, bit vastpakken, onrustige tong op het bit, tegen de hand zijn, vechten tegen het bit • slecht presteren, slecht aan de teugel zijn tot zelfs bokken • vieze stank uit de mond, eventueel bloed uit de mond • neusuitvloeiing, zwellingen van het kaakbot Evengoed kunnen er flinke problemen in de mond aanwezig zijn, zonder dat het paard daar duidelijk verschijnselen van laat zien. Het is dus zeker ook niet zo, dat een paard in goede lichamelijk conditie altijd een perfect gebit heeft! Gebitsbehandeling Een volledig gebitsbehandeling kost tijd, zo’n 15 tot 60 minuten. Wij behandelen in het algemeen de paarden aan huis, in hun eigen stal. Het voordeel van het inhuren van een dierenarts is, dat wij de paarden kunnen sederen (verdoven). Dit spaart veel leed bij uw paard. |


Paard sederen, algemene verdoving of alleen lokaal
Tetanus wordt veroorzaakt door de bacterie Clostridium tetanie. Een infectie kan ontstaan na een diepe steekwond of na een wondinfectie met veel weefselversterf. Paarden zijn erg gevoelig voor deze bacterie en kunnen er bij onvoldoende behandeling aan sterven. De bacterie is een bodembewoner, die altijd en overal om ons heen voorkomt. In een diepe wond gaat de bacterie zich vermeerderen, en een gifstof (toxine) produceren waardoor in de spieren over het gehele lichaam kramp ontstaat. De tijd tussen het moment van besmetting en eerste verschijnselen van de ziekte bedraagt meestal 7-10 dagen. 
Wanneer er een verstopping of verdraaiing vooraan in de darmen zit, loopt de maag vol met vocht met als gevolg dat deze kan knappen (paard kan niet braken!). Dit is soms te zien door iets groene uitvloeiing uit de neus.
